Moreel gedrag

Als een kind (ook geldig voor een dier) pijn of deugd wordt gedaan, kan het dit voorval in zijn geheugen vasthouden.

Wanneer het kind (niet mogelijk door het dier) komt te begrijpen wat de andere in gelijkaardige omstandigheden zou ondervinden, ontstaat een elementair besef van wat juist is en van wat verkeerd is. Dit besef komt er door het inwerken van de zesde en de zevende adjuvat (intelligentie-licht).
Uit de persoonlijke beschouwing van het kind wordt de persoonlijke morele keuze tussen goed en kwaad mogelijk. Het vertonen van moreel gedrag manifesteert zich.
Het eerste waardevolle uiten van het moraliteitsbesef van het mens-kind wordt automatisch geregistreerd door de zevende bewustzijn-hulp&bijstand (wijsheid). Daardoor ontvangt het kind onmiddellijk de hem persoonlijk toegekende en rechtstreeks toegewezen Gedachte-Richter. Hij nestelt zich in het brein van het mensje.

Die Geest-Natuur zal, in het mechanisme waarin het verstandelijk begrijpend-denken, het abstraherend-denken, het creatief-denken, het oordeelkundig-denkenen het discursief-denken activiteiten ontplooien, dienst doen als Geest-loods.
Eerder is al vermeld, maar toch herhalen wij: door het tegenwoordig zijn van de Richter komt de conceptuele ziel in de mens onmiddellijk tot aanzijn. Zij vangt haar bestaan aan en begint in en uit zichzelf te groeien. (zie “Het Urantia Boek” uitgever Urantia Fondation USA ISBN 90-9011151-4 pagina 1186 hoofdstuk 2)

Er is nog iets uit te leggen wat betreft het sluitend geheel van de Goddelijke schepping-techniek die het potentieel van eeuwigheid en oneindigheid voorziet.

  1. Dankzij Gods Wijsheid wordt de mens individueel voorzien van de unieke aard Persoonlijkheid met Geest-hoedanigheid. Door het in werking zijn van de zesde adjuvat komt het menselijke materiële zelf, in de kindertijd, er op zekere dag toe een morele keuze te maken. Wijsheid functioneert. De Universele Vader is op de hoogte van de registratie van die eerste morele keuze en stuurt onmiddellijk een Gedachte-Richter (moet worden gezien als God-Geest zich vestigend in de menselijke bewustmaking-zetel). Deze druppel, een afprint van God, nestelt zich, als een absolute essentie, in het fysieke brein van het kind. Hij is het die, op het schip “brein-mind”, graag zijn functie van loods ten volle zou willen uitvoeren. (een loods is een scheepsjongen die bevelen van de kapitein uitvoert) [het uitgewerkte idee, Gods Wijsheid]
  2. Gods Wijsheid heeft eveneens voorzien dat Zijn individuele Geest-Persoonlijkheid het concept van identiteit verleent en dat de levende feitelijke tegenwoordigheid van de Gedachte-Richter een feit kan worden. [de resultante, Goddelijke wijsheid]
  3. Uit het samenkomen van het persoonlijk tegenwoordig, specifiek ziel-concept met de Gedachte-Richter, actualiseert zich de ziel. Zij komt tot aanzijn als de ware identiteit van het persoonlijke zelf. [de revelatie, Gods Almacht en Alwetendheid]

Een Richter levert onophoudelijk inspanningen om een ziel-kind steeds feilloos richting God te loodsen.Wanneer de mens het zelf wilt, ervoor kiest samen te werken met de Richter spreken wij van een geloofsmens.
Wijspreken van een morele mens wanneer hij door onwetendheid God niet kent of er nog niet is toegekomen God te ontdekken.

Afhankelijk van de persoonlijke geest-motivatie (gedachten voortspruitend uit de inborst en het tot uitvoering brengen ervan) vordert de ziel (het ziel-kind, de ziel-mens) progressief. Op Aarde is de mens er voor de ziel, hij bepaalt haar universum-waarde.

De Richter is de behoeder van al wat de moeite loont om het zich te herinneren. Hij draagt in zich het geheugenafschrift van alle, betekenisvolle en waarde toevoegende ervaringen. Dit geheugen is blijvend.

De zending-opdracht van de Richter is tweeërlei

  • er te zijn voor de mens in tijd en ruimte
  • de potentieel onsterfelijke identiteit van de mens (zijn ziel) te loodsen, doorheen tijd en ruimte, naar eeuwigheid en oneindigheid (zie “Het Urantia Boek” uitgever Urantia Fondation USA ISBN 90-9011151-4 verhandelingen 107-108-109-110-111 van pagina 1176 tot en met 1224)

Moreel of ethisch gedrag is een universeel verschijnsel.
Goed en kwaad in de wereld is op zichzelf een positief bewijs van het bestaan en de realiteit van het moreel gedrag van de mens.
Mocht er een wereld in evolutie zijn zonder de mogelijkheid van vergissing, zonder de mogelijkheid tot een onoordeelkundig vonnis, het zou een wereld zijn waar de vrije wil onbestaand is.

Algemeen aangenomen gedragscodes (normen) kunnen zeer verschillend zijn naargelang de samenleving of de cultuur, de filosofie, de godsdienst of de persoonlijke levensbeschouwing. Normen hebben zich doorheen de eeuwen als gewetensuitdrukkingen ontwikkeld, als zuiver menselijke psychische reacties.

Het geweten is eigenlijk niets meer dan de optelsom van de morele of ethische inhoud van de gedragscodes, de zeden en de gewoontes die op dat moment voor ons gelden.
Het moreel gedrag van het individu houdt in zich, het subjectief inzicht in zijnswaarden, gekenmerkt, door de hoogste intelligentie in juistheid en gepastheid, die aanzet om ermee in conformiteit te handelen.

Dankzij de unieke en onveranderlijke onderscheidende Geest-hoedanigheid van Persoonlijkheid en het komen inwonen van de Richter, baadt de morele natuur van de mens in God-Geest.
Aldus komt de mens in het bezit van een “sub”-geest-potentieel dat hem in staat stelt de werkelijke werkelijkheid te leren kennen.

Doordat Persoonlijkheid deel uitmaakt van onze menselijke natuur, is de mens in staat te kunnen overgaan tot het ten uitvoer brengen van een persoonlijk ontworpen concept. De mens kan het verwoorden en verwezenlijken.

Persoonlijkheid laat toe dat de menselijke inborst zich laat zien. Deze naar buiten gekeerde zichtbare aspecten, vormen de menselijke geest-dimensie van Persoonlijkheid.
De menselijke geest-dimensie uit zich doorheen het karakter, het gedrag en de houding.
Als de menselijke natuur zich vrijwillig en geleidelijk bewust wordt van de werkelijke werkelijkheid van God, is de weg geëffend om tot God-bewustheid te komen.

De stadia daartoe zijn:

  • het vatten van het God-Idee, van het feitelijk bestaan van de Alwijze Bron voor de mens;
  • het zich bewust worden van het God-Ideaal, van wat de Alwijze Bron voor de mens betekent;
  • het zich bewust zijn van God-Werkelijkheid, van wat de wijsheid van Alom Tegenwoordige Geest en Alom Aanwezig Bewustzijn in de feiten is.

Wanneer wij moreel oordeelkundig overwegen en met scherpzinnigheid kiezen om te beslissen in relatie met God te treden, dan reikt onze morele-bewustheid omhoog naar het niveau van geest-bewustheid.

De geest-natuur van de mens wordt werkelijkheid wanneer hij de kwaliteiten goedheid, schoonheid, waarheid van de Alwijze Bron wil evenaren. Dit willen schept geestontplooiing.
Ontplooiing van de menselijke geest-natuur betekent, helderinzicht. Dat vertaalt zich in, appreciatie van het schone; het nastreven van het waarlijke ware; het toekennen van waarde aan alwijze goedheid, willen de goedheid zijn zoals God die is.

Het eigen karakter, het persoonlijk gedrag en de houding van het zelf, gegroeid uit persoonlijke morele- en geest-bewustheid, tonen wij, aan onszelf, en wordt waargenomen door onze medemens.

Diegene die ik ben, in goedheid (in liefde en in dienstbaarheid), datgene wat ik ben in schoonheid (in barmhartigheid) en hoe ik ben in het ware, ziet (weet) de Alom Tegenwoordige Geest en het Alom Aanwezig Bewustzijn van mijn Schepper.

DE GEEST EN HET BEWUSTZIJN VAN DE AL-ZIEL VAN DE SCHEPPER IS

GOED IN LIEFDE EN DIENSTBAARHEID, BARMHARTIG IN SCHOONHEID, WAAR IN VOORZIENIGHEID

Na deze kenmerkende eigenschappen van de persoonlijkheid behandelen we “Het vermogen van de natuurlijke verschijnselen “Vrije wil” en “Wilskeuze”” Klik daarvoor hierop.