Zelfbewustheid

Bij de geboorte en in de eerste levensjaren is het kind niet bewust van zijn eigen lichaam. Het wordt zich wel beetje bij beetje bewust dat andere mensen om hem heen bestaan.

“dat is papa, dat is mama, dat is zus, dat is broer…”

Een begrip van het zelf komt er, wanneer het kind zijn eigen lichaam in de spiegel herkent. En dan nog spreekt het van “dat is Robbe, Laura, Fien, Simon, Elliot”, nog niet van “ik”.

Die ontluikende zelfbewustheid wordt pas een vaststaand feit wanneer het kind zich niet meer identificeert met zijn naam, maar als het “ik”, begint te zeggen, tot het besef is gekomen dat het bestaat.

Het kind is zodus eerst bewust van het bestaan van de ander en het andere. Daarna wordt het bewust van zichzelf.

Mensen differentiëren zich via hun wilsuiting en tonen zo hun individualiteit.

Elke persoon is een individueel ziel-wezen begiftigd met wil en wilskeuze van Geest-hoedanigheid, optredend als kapitein van het persoonlijk zelf.

Dankzij het persoonlijkheidskenmerk ‘zelfbewustheid’ stapt humor in het leven.

Zelfbewustheid laat een terugblik op onszelf en op onze daden toe. Vandaar dat wij kritisch kunnen zijn en om onszelf kunnen lachen.

Humor doet ons de pietluttigheden van een groot deel van de te grote ernst van onze persoonlijke angst inzien.

Wij kunnen de afwijkende aspecten van de realiteit, met een zekere onthechting, van ons afschudden.

Na het behandelen van de zelfbewustheid is het nodig eens dieper in te gaan op het “abstraherend-denken” (klik hierop)