‘Het bestaan der dingen, ook dit van mens en dier’

In het universum bestaat *het heelal,* het rijk der mineralen, *het water, *het plantenrijk, *het dierenrijk en *de mensheid.

De kosmos is een georganiseerd geheel, ontvouwt zich ordelijk volgens vastgestelde methodes en principes.

De planeten, de Maan, de Zon, de sterren …. zijn schepping-lichamen (ook hemellichamen genoemd) in beweging. Voortdurend beschrijven zij een traject.
De aanwezige mineralen, het zoute en het zoete water spelen een interactief spel.
De flora samengesteld uit bomen, struiken, planten en bloemen, is eveneens levend.
Mens en dier bestaan, middenin een rijkelijk gevulde ruimte welke deel uitmaakt van dit kosmisch geheel. Mensen en dieren leven de beweging van het leven. Zij zijn levende en levendige energetische wezens, ook schepsels genoemd.

Dit georganiseerd kosmisch geheel van materie en ondulerende energie omsluit een bijzondere actie, leeft in de zich bewegende schepping, vervult een toegewezen functie. De organisatie ervan beantwoordt aan een voorgeschreven structuur en functioneert in perfectie.

Kunnen wij ons hier de vraag stellen: “Is er, voor die genoemde functionele organisatie, een Maker, een Producent, een Auteur, een Uitvinder, een Schepper die de levende beweging, relatief aan de energiekracht, maakt, produceert, schrijft, uitvindt, schept?

Zou het kunnen dat er een originele ene ‘Eerste Grote Bron en Centrum’ is van waar Bewustzijn-Intelligentie en Geest uitgaan, waar energiekracht ontspruit, van waaruit het leven zijn herkomst kent, waar het alles zijn oorsprong heeft?

Zo ja, dan kunnen wij stellen dat alle andere oorzaken er afleidingen van zijn en zich met hun gevolg in het immense universum bevinden?

Het bestaan van mens en dier noodzaakt ons, uit te leggen, op welke manier hun organismen

  • zijn geordend in functie van hun werking
  • functioneel zijn
  • hun functie uitoefenen.

Beide organismen

  • zijn samengesteld uit organen die welbepaalde functies waarmaken
  • ontwikkelen bewustheid wat hen toelaat functioneel te zijn en een functie uit te oefenen afhankelijk van het lichaam waarin ze vertoeven.

U kunt alles wat wordt beschreven, toetsen via observatie, hetzij bij uzelf en/of bij, wat u omringt.
Uw persoonlijke ervaring kan beamen.

De vijf zintuiglijke organen hebben de rol van functioneren, van functionaliteit en van welbepaalde, vervullende functies.

  • de huid is onontbeerlijk, zij beschermt alle andere organen. Met de huid wordt het materieel contact gerealiseerd. Daardoor kunnen andere dingen worden aangeraakt. De huid opent de weg tot gewaarwording, zij brengt de mogelijkheid tot voelen en laat het doordringen van dit gevoel toe om het ervarene, denkbeeldig weer te herbeleven
  • de ogen kijken om, zoveel als mogelijk informatie op te vangen, zij nemen de beelden van de voorwerpen in ontvangst, zij zijn het zicht van de herinnering
  • de oren horen, het luisteren brengt de notie van de geluidstrillingen die kunnen worden geregistreerd
  • de neus snuift de geuren om ze te bepalen en te herkennen
  • de smaakpapillen van de tong proeven, ze duiden de pittigheid en kunnen dat opnemen zodat dit terug kan worden opgeroepen.

Om deze welbepaalde functies uit te oefenen moet er wel een mechanisme tot bewustmaking (een brein) van energie overbrengende zenuwimpulsen aan de orde zijn. Een mechanisme, zo ontworpen, om enerzijds, de analyse, van de objecten en de buiten liggende fenomenen, mogelijk te maken, en anderzijds, het kunnen in herinnering halen van de zintuiglijke waarnemingen.

Andere organen als voorbeeld

  • de longen die laten ademhalen… zij voorzien de ‘levensadem’
  • het hart dat het bloed pompt tot in alle organen…. het geeft de toon aan van genegenheid.

Lezer aan U te ontdekken wat de functie is en welke mogelijkheid de maag, de lever, de alvleesklier, de dunne darm…etc. biedt.

Mens en dier zijn organische wezens.

Zij kunnen

  • hun weg vinden
  • begrijpen
  • zich in actie zetten
  • op avontuur gaan
  • samenkomen, associaties vormen, het verband leggen, verbinden.

Mens en dier kunnen, door het combineren van elementen, hun activiteiten zo rangschikken dat zij zich kunnen organiseren.

Alleen de mens kan zich onderwerpen aan de manier waarop hij denkt en prognoses maakt. Enkel hij, kan overgaan tot organiseren en het organiseren. Op de vraag hoe het komt dat dit mogelijk is, krijgt u zeker, later in de tekst, antwoord.

Fysisch transformeren en transfereren mens en dier energie, psychisch zijn zij zowel energie gevend als energie verbruikend.

Hier trachten wij om het leven, dat wij in ons dragen en kunnen doorgeven, te omschrijven.

  • het leven omvat fenomenen die niet volledig materieel zijn, het is meer dan een levendige fysische kracht. De mens kan woordelijk zeggen wat hij wil bekomen, het dier kan dat enkel laten merken.
  • het leven verklaart zich veeleer als opgebouwd, gebouwd op de bezieling van een systeem, relatief aan diverse energiebronnen, begiftigd met beweging, met middelen tot verandering. Mens en dier vertonen een groeiontwikkeling.
  • het leven, als een abstract geheel, bestaat uit geordende- en geordonneerde elementen die de uitdrukking zijn van een ingestelde vooraf bepaalde wet. Deze natuurwet duidt de nodige verhoudingen en het standvastige aan, tussen de fysieke verschijnselen of tussen de bestanddelen van het geheel. Het leven van mens en dier neem je enkel waar.
  • het leven wordt en is functioneel door middel van een bewustmaking-mechanisme. De mens wordt en is zich bewust van wat bestaat en dat hij bestaat. Het dier weet alleen wat er in zijn omgeving bestaat.

Het leven functioneert dankzij de verschillende vormen van energie, zijnde mechanische-, elektrische-, thermische-, chemische-, magnetische-, licht- en zwaartekracht-energie.

Het levend organisme van mens en dier is opgenomen in de stroom van elektrische lading en ontlading.

Een elektrische stroom is eigen of in betrekking tot elektriciteit.
Elektriciteit is aldus één van de vormen van energie “onmiskenbaar stromend“ in en omheen de structuur van de levende materie, de cellen en hun inhoud.

Om op Aarde te leven is een materieel lichaam een primordiale noodzakelijkheid.

In elke autonome, met lichaamsvocht omgeven, in functie geordende lichaamscel, waarin zich ook de overgedragen fysiologische en morfologische bloedlijn patronen bevinden, is een mechanisùe werkzaam zodat het levend organisme functioneel zou kunnen zijn om zijn functie te kunnen uitoefenen.

Wie en wat voorziet in dit alles?

Wij, mensen, hebben een lichaam eigen aan onze soort, eenvormig.
Het dier heeft een lichaam in functie van zijn soort en ras, zeer uiteenlopend.
Het lichaam herbergt de inwendige- en uitwendige organen, een eerste noodzakelijkheid aan onze wereldlijke passage.
De inwendige organen zitten in het omhulsel “huid” (een uitwendig orgaan), zodat zij hun functie kunnen uitoefenen.

De huid van de mens, ondanks eigen en eenvormig aan de soort, vertoont zich in meerdere kleuren, gaande van groepen mensen met wit-roos, geel, rood, bruin of zwart gekleurde huid. Specifieke kenmerken, die zich bij de mens voordoen, zijn gekoppeld,aan de huidskleur.

Het aspect van de dierenhuid is afhankelijk van de soort en het ras.

Het brein, het voorziene mechanisme tot bewustmaking, daar waar het denken gebeurt, laat toe dat mens en dier zich kunnen organiseren. Deze zetel tot bewustwording helpt mede bepalen hoe het aardse leven van mens en dier zich zal voordoen.
Het mechanisme tot bewustmakingis werkzaam in de hersenen. Daar bevinden zich instrumenten (neurale data) die door een hogere macht zijn voorzien om mens en dier toe te laten, te kunnen functioneren.
Het breinmechanisme van mens en dier is er om toe te laten iets te begrijpen, om kennis te kunnen integreren en weer te geven, om tot bewustheid te kunnen komen, om te kunnen weten.

Enkel de mens heeft besef. Hij kan zich bewust een duidelijke voorstelling maken dankzij het abstraherend-denken.

In het brein van mens en dier bevindt zich

  • een intelligentiecentrum zodat het verstand zich kan ontwikkelen. Dit centrum is, in het ‘nu’ moment in verbinding met het opgeslagen emotionele. De emotionele staat waarin een mens of een dier zich bevindt, is kenschetsend door hun reacties op het alom omringend milieu.
  • een geheugenplateau waar kennis wordt opgeslagen, tezamen met alle ge- en beleefde emoties.

Het geheugen verenigt kennis en representatief begrip.

De mens overstijgt het dier. De mens is een persoon, een iemand.

  • alleen de mens is in staat, dankzij het bestaan van een wil, morele beslissingen te nemen. Naast het verstandelijk concreet-denken ontplooit de mens een wijs geest-denken dat hem, naast de hoedanigheid tot het zich kunnen organiseren, het vermogen biedt tot organiseren en het organiseren.

Het dier is geen persoon, niet een iemand.

    • het leeft in het heden en kent het verleden
    • het bezit alleen verstandelijk concreet-denken waarmee het zich kan organiseren om iets te kunnen realiseren in functie van zijn soort en ras
    • het informeert nooit naar het doel van zijn leven (hoort tot het domein van het geest-denken).

Mens en dier ontwikkelen bewustheid.
Enkel de mens beschikt over zelfbewustheid.

Ons steunend op het verklarend woordenboek

    • een persoon: zelfstandig optredend menselijk wezen, individu
    • een dier: niet tot de planten behorend levend wezen verstoken van de taal
    • organiseren: tot stand brengen, regelen, een actie tot in detail voorbereiden, haar verloop zo coördineren opdat alle elementen het welslagen ervan zou verzekeren
    • zich organiseren: zijn zaken regelen vanuit gegevens die tot een vast verband aaneensluiten
    • bewustheid: bewust zijn van iets
    • zelfbewustheid: bewust zijn van het zelf

Mensen verschillen onderling door

  • de gesteldheid waarmee zij morele daden volbrengen
  • hun geleverde inspanningen vanuit hun levendige wilskracht
  • persoonlijke effectieve beslissingen die uit een intentie worden geboren, zelf voortkomende uit hun manier van zijn.

Het karakter, het gedrag en de houding van de mens zijn de uiting van de kracht van wil en wilskeuze.
De menselijke wilskracht is het vermogen tot vrijwillig bepalen hoe te ageren of zich te onthouden.

Bij mens en dier is het temperament (de overheersende gemoedsgesteldheid als grond voor een handelswijze of uitdrukkingsverschijnsel), erfelijk overdraagbaar. Het betreft het geheel van de aan het wezen doorgegeven fysiologische en morfologische eigenschappen (erfelijkheidsfactoren).

De morele- en geest-natuur van de mens onderscheidt hem van het rijk der dieren. 

Mensen kijken elkaar wezenlijk in de ogen!

De mens heeft de mogelijkheid het dier te temmen en het te onderwerpen, hetzij voor zijn plezier, hetzij voor zijn profijt, zijn voordeel.
Dieren reageren op zuiver concreet waarneembare- en voelbare gebeurtenissen in hun leefomgeving.
Het tam maken van dieren zou een nobel bondgenootschap tot gevolg moeten hebben. De mens is de meester organisator.

Een voorziene ingeboren eigenschap van spontaneïteit laat de mens toe onmiddellijk te ageren ten opzichte van een ander iemand. Dit is het geschenk tot sociabilteit, wij zoeken ijverig naar gezelschap.

Willen wij de bekwaamheid om te kunnen slagen in gedeelde communicatie, laat ons eerst luisteren, vooral zonder vooringenomenheid.

Wij en gelijk welk ander persoon, ook dieren, kunnen nimmer op hetzelfde moment, dezelfde plaats innemen. Wij kunnen nooit, op hetzelfde ogenblik, dezelfde dingen zien vanuit eenzelfde plaats daar de plaats door de ander is benomen. Wij kijken niet alleen vanuit een andere invalshoek, wij zien ook met andere ogen die een indruk weergeven naargelang de eigen psychische gesteldheid (erken de subjectiviteit van interpretatie van het moment).

De mens heeft van de waargenomen realiteit, een individueel gezichts- en standpunt en een persoonlijke ‘ik’ interpretatie.

Bij de aangeboren kenmerken van temperament komt,

  • een persoon of dier kan langzaam en oppervlakkig begrijpen, een ander vlug maar oppervlakkig, nog anderen langzaam maar diepgaand of vlug en diepgaand

Nu kunnen wij ons gaan verdiepen op “Het concreet denken tot bewustwording” (klik hierop om op die pagina te komen)